| Vooraf.
ESF-Agentschapmedewerkers
begeleiden promotoren in aanvraagfase, tijdens
de uitvoering en aan het einde van een project.
Momenteel is dit
- in aanvraagfase in de vorm van het zogenaamde
aftoetsingsgesprek
- in de loop van het project zijn er de
tussentijdse rapporteringen, de monitoringbezoeken,
themawerking en eventueel kwaliteitsaudit.
- in eindfase in de vorm van het eindrapport.
Voor innovatieve (en
transnationale) projecten is er ook een
zelfevaluatie instrument
De aandacht voor validering
van een product of ervaring wordt permanent
in het project ingebouwd:
I. Aanvraag van een project
Welke projecten bevragen?
Projecten die ingediend worden onder de
focus van innovatie of die vooropstellen
een product te ontwikkelen, beantwoorden
in de aanvraag reeds een aantal vragen zodat
validering consequent doorheen alle projectfasen
wordt meegenomen.
Consequenties:
Dit heeft als consequentie dat in de toekomst
een aantal vragen in de internetapplicatie
worden opgenomen.
In de inhoudelijke handleiding
voor promotoren wordt al melding gemaakt
van de criteria die worden gebruikt om tot
validering van het product te komen.
II. Begeleiding van promotoren
• Promotoren krijgen
de kans om zich te trainen in een vormingsaanbod
van Project Cycle
Management met expliciet aandacht voor “validering”
• Een keer een
project is opgestart, wordt de promotor
verder begeleid via o.m.
monitoringbezoeken. De vragen tijdens zo
een monitoringbezoek moeten de promotor
helpen om de nodige aandacht te besteden
aan de criteria van de validering.
Naar promotoren toe is het belangrijk een
onderscheid te maken tussen een tussentijdse
en
een eindrapport.
Hiertoe dient het verslaggevingsdocument
– dat als leidraad tijdens het gesprek
met de promotor wordt gehanteerd –
aangepast. Ook het tijdstip van een monitoringbezoek
wordt bepaald in functie van het ontwikkelingsstadium
van het te valideren product / ervaring
conform de aanvraag of de bijsturingen die
er tussentijds gebeuren.
• Themawerking,
kennis- en ervaringsuitwisselingsmomenten,
kan in de toekomst worden
opgebouwd in functie van validering, nl.
uitwerken van een of meerdere concepten
/
methodieken zodat de themawerking tegemoet
komt in de begeleiding van promotoren naar
een validering van een product of ervaring.
III. Validering
Wanneer?
Validering kan tussentijds
(in de looptijd van een project) en/of op
het einde van een project / na de effectieve
productontwikkeling / projectervaring gebeuren.
Een tussentijdse validering wordt optioneel
aangeboden, een eindvalidering wordt een
verplicht onderdeel van elk project dat
een “nieuw” product / ervaring
wil ontwikkelen.
In eerste instantie zal
er een validering van de potentie van een
product(gamma) gebeuren om te toetsen of
de markt nood heeft aan het product. De
validering van de potentie van een product
of ervaring is in wezen het nagaan of een
voorgesteld project nuttig en nodig is.
Dit kan eventueel al gebeuren bij het projectselectieproces.
Na ongeveer 6 maanden
projecttijd volgt een monitoringbezoek om
te kijken of de adviezen die bij de start
gegeven zijn ook effectief opgevolgd worden.
Daar waar geen monitoringbezoek is geweest,
kan dit worden vastgesteld aan de hand van
de eerste tussentijdse rapportage.
Na ongeveer een jaar
kan dan een eerste, tussentijdse validering
doorgevoerd worden om het product in spé
te beoordelen. Dit geeft aan de promotor
het voordeel dat het product/instrument
nog kan worden aangepast mocht dit nodig
blijken. Deze validering zal gebeuren door
experten en door peer groups. Indien interessant
en haalbaar kan ook de finale doelgroep
betrokken worden bij de validering.
Deze validering gebeurt op uitdrukkelijke
vraag van de promotor / het partnerschap.
Tot slot kan er op het
einde dan een eindvalidering gebeuren van
het afgewerkte instrument/product. Deze
validering zou idealiter gebeuren door een
peer review, experten (met inbegrip van
de beleidsactoren) en door de finale doelgroep.
Door het betrekken van het beleid kunnen
we ook al stimulansen geven aan de mainstreaming.
Criteria?
Er wordt een onderscheid
gemaakt tussen een set van vaste of verplichte
criteria (die steeds worden gebruikt) en
optionele criteria (criteria die naargelang
de oproep al dan niet kunnen worden ingezet
of die zelfs door de experten / peers bij
het begin naar voor worden geschoven). De
criteria krijgen per groep en individueel
een weging, die per oproep kan worden gewijzigd,
afhankelijk van het beoogde doel.
De onderlinge weging
tussen de groep verplichte (A) en de groep
optionele (B) criteria gebeurt in de volgende
verhouding:
A + B = 100 waarbij A = 66,66 en B = 33,33
We spreken van een positieve validering
bij een gemiddelde score van minimum 70%.
Volgende criteria worden
naar voor geschoven en kunnen worden in
de experimentele periode bijgestuurd.
Vaste set van criteria:
• Aangepast aan de noden van de doelgroep
(weging 3)
In termen van cultuur, sociaal en beroepsopleiding
van de doelgroep en de gebruikers, in hoever
is het product aangepast aan de noden?
• Toegevoegde waarde (weging 3)
Voordelen en nut, ondervonden door de doelgroep
en de intermediaire gebruikers (trainers/begeleiders),
aantoonbaar in termen van competentie- of
kwalificatie-erkenning, werkorganisatie,
arbeidstevredenheid, sociale waarde en/of
persoonlijke ontwikkeling.
• Toegankelijkheid (weging 2)
Mate waarin de doelgroep de distributiekanalen
kent en zelfstandig kan gebruiken of vertrouwd
is met de gebruikswijze van het product.
De mate waarin het product gebruiksvriendelijk
is en efficiënt en snel en gemakkelijk
te gebruiken is.
• Disseminatie (weging 2)
De intensiteit en de zichtbaarheid waarmee
het product / instrument succesvol wordt
verspreid in de eigen organisatie en daarbuiten.
• Gendermainstreaming (weging 1)
In hoeverre is bij de ontwikkeling rekening
gehouden met het genderaspect? De mate waarin
het product bruikbaar is voor zowel mannen
als vrouwen.
• Innovatief karakter (weging 3)
Bedoeld wordt de mate waarin nieuwe of vernieuwende
elementen in het product aanwezig zijn,
de mate waarin het verschilt met andere
gebruikte producten.
Indicatieve optionele
set van criteria:
• Empowerment (weging 1)
In hoever is de finale (en soms ook intermediaire)
doelgroep betrokken bij de ontwikkeling
van het eindproduct en hoe zal het product
bijdragen tot de integratie en/of versterking
van de doelgroep.
• Maatschappelijk verantwoord ondernemen
(weging 1)
In welke mate draagt het product bij tot
een van de drie pijlers: mens, milieu en
maatschappij.
• Overdraagbaarheid (weging 2)
De mate waarin het product kan toegepast
worden in verschillende contexten en bij
verschillende doelgroepen. Mate waarin het
product kan veralgemeend worden en overgedragen
naar andere sectoren en doelgroepen.
Hoe?
De
volgende procedure geldt als basis voor
het valideringsproces:
- alle criteria en hun weging worden op
voorhand éénduidig bepaald
- de promotor of het partnerschap geeft
een voorstelling met toelichting over de
te valideren producten en nevenproducten
- experten en peers, desgevallend aangevuld
met vertegenwoordigers van de finale doelgroep
evalueren het product / instrument en de
nevenproducten aan de hand van de verschillende
criteria
- in een gezamenlijk verslag wordt elk criterium
gemotiveerd gescoord en worden de eventuele
aanbevelingen weergegeven.
|